Bodem

Kleur:

 

Iedere bodemsoort heeft een eigen kleur. Zand is anders dan kiezel, slib, klei, gravel, wier... Je kunt het meestal goed zien aan de waterkanten of met een Aquascope als het water helder is. Anders weten collega's het je wel te vertellen of je vindt het in omschrijvingen op het internet. Het heeft invloed op je presentatie of aas (camouflage & kleur). De vraag is bijvoorbeeld: Wil je meer of minder contrast? Wil je opvallen of juist opgaan in de omgeving? Dit dus in relatie tot de omgeving en grondsoort. Van invloed zijn hier zijn o.a. de diepte waarop je vist en de kwaliteit van het water. Hierdoor moeten wij ons steeds realiseren dat we onze presentatie (incl. het aas) kwaliteiten toedichten die onder water heel anders blijken te functioneren dan we soms denken (zie hiervoor hoofdstukken als “Eigenschappen” en “Waterkwaliteit”).

Obstakels:

 

Er bestaan verschillende soorten van obstakels: Rommel van takjes, kiezels, keien, bladeren, wier in verschillende soorten en maten, grotere objecten zoals takken en boomstronken. Ook rekenen wij hiertoe de (te) zachte grondsoorten (zie ook “Vuil” hieronder). Wees hier alert op, want rigs hangen er met alle gemak letterlijk waardeloos bij. Obstakels zijn vooral een fysieke, mechanische kwestie. Waar het de boilie betreft hebben obstakels dus niet zoveel invloed op het recept. Wel kan het bijvoorbeeld nuttig zijn om bij lage bodembedekkers met meer kleine afmetingen, gekrunchte delen of lichtgewicht boilies te werken. Deze blijven er dan beter op liggen. Of misschien wil je er wel juist doorheen strooien, de gangen eronder bereiken en zijn dus zwaardere of grotere bollen (> 20 mm.) wenselijk.  

Wier- en lelievelden:

 

Er valt behoorlijk wat te vertellen over het vissen in wier- of lelievelden. Maar veel ervan heeft niet direct effect op de eigenschappen van je boilie en vooralsnog gaat het ons bij MyBoilie vooral daar om. Het centrale thema's is doorgaans of je presentatie goed is. Of de boel niet helemaal in de war of onbereikbaar ligt. Vissen in wier of lelievelden is gewoon wat lastiger dan op de platte, brakke grond. Je moet hiervoor ervaring opdoen. Aan de andere kant is het wel vaak de plek waar de vissen zwemmen... zie hier het dilemma. Een afweging ook tussen vangst en veiligheid, want in sommige situatie kan je misschien de vissen daar beter met rust laten. 


Wij adviseren in ieder geval in eerste instantie op zoek te gaan naar gangen door/onder het wier in plaats van er middenin te droppen, de randen aan open plekken op te zoeken in plaats van er midden op of harde platen te pakken tussen de lelies in plaats van de zachte delen. Het zijn de plekken waar we doorgaans het meeste succes hebben, horen en lezen. Je kunt daar je aas goed presenteren door gebruikt te maken van onderstaande technieken & tips en tegelijkertijd inspelen op de wens van de karper veilig te eten:

 

  • Gebruik een systeem dat "foutjes" toestaat. Bijvoorbeeld de Chod-rig. Daarbij de Choddy minimaal 30 cm. van het lood is geplaatst. Het aas is vrijwel altijd bereikbaar gepresenteerd zo. Denk er wel aan dat je lijn niet teveel over stelen of zwaardere wiervelden hangt. Een zwevend Choddy kan nog steeds werken, maar de presentatie op zich is niet best.
  • Gebruik een goede bekende zoals de PVA zak. Op het internet staan tal van filmpjes waarin duidelijk wordt aangegeven hoe je middels deze zakjes je aas veilig naar de bodem brengt. Prima oplossing.
  • Iets wat wij van MyBoilie vaak gebruiken zijn de zogenaamde "string- of worstpresentatie" (zie figuren hieronder). Verschillende vormen zijn denkbaar. Het voordeel zien wij vooral in de eenvoud van het maken, het feit dat je rig gewoon vrij kan blijven hangen en niet in elkaar geprakt wordt en dat je PVA-worst of string als afstandhouder functioneert.
  • Een andere werkwijze zien wij in de zogenaamde "Cannonball" van Frank Warwick. Hij mixt hiervoor een berg grondvoer, paar tijgernoten, hennepzaden, kleine pellets (max. 3 mm.), het sap van de tijgernoten, wat hennep en water uit het meer tot grote ballen, die hij vervolgens om het lood van zijn rig prakt. Alleen het laatste stukje van de rig (haak en boilie of tijgernootje enz.) bungelt er dan nog uit. De bal wordt vervolgens boven de gewenste plek met een volledig slappe lijn over boord gekieperd (middels een roei- of voerboot!). Je kunt deze ballen overigens ook gewoon van je eigen boiliemix maken, aangevuld met wat grondvoer en partikels naar keuze. Zodanig dat de bal in minder dan een half uur volledig uit elkaar valt (wel vooraf checken voor de kant!!!). Gewoon lekker zelf experimenteren stellen we voor!
  • Ook is het interessant om eens wat hoger te vissen met een pop up. Als je bijvoorbeeld ontdekt hebt dat er veel bodembegroeiing is of plaatselijk grotere stenen of keien. Zo kan je het lood er doorheen of ertussen laten vallen en toch boven(op) deze barrière presenteren.  
  • In de lijn hiervan ligt natuurlijk het zogeheten Ziggen of "free-lining". Technieken waarmee je je aas op hogere waterlagen kunt plaatsen. Dit tot aan het wateroppervlak.

 

(Tip 1... Standaard tip: Doe bij het leggen van een standaard presentatie in ieder geval iets van een foampje om je haakpunt ...)
(Tip 2... Handig kan zijn om bij zowel de PVA-zak als PVA-worst een of twee extra PVA foampjes op te nemen. Bij het neerleggen zullen zij na korte tijd boven komen drijven, waardoor je als visser precies weet waar je presentatie is neergekomen. Handig om nauwkeurig bij te kunnen voeren ...)

Vuil:

 

Voorkom dat je aas in 'slechte grond' land. Grond waar een vieze geur of smaak aan zit door ophoping van rottende bladeren of verontreinigd slib. Let wel, niet iedere zachte bodem is per definitie verkeerd. Karpers zoeken hun voedsel óók in de modder, maar een slecht ruikende omgeving bevorderd nu eenmaal niet de vangsten. Bij het binnenhalen van je haakaas gewoon even ruiken, je merkt het direct. En als jouw boilie ook na het kapot drukken tussen je vingers nog steeds stinkt, dan is het mis. Mocht je er toch op of in willen vissen, houdt dan de volgende punten op het netvlies: 

 

  • Gebruik kleiner aas of maak je boilies wat lichter, want dan zakken ze minder weg.
  • Sluit de huid van je boilies. Maak ze wat harder, ondoordringbaarder zodat ze minder opnemen vuil vocht opnemen (liever minder wateroplosbare grondstoffen toepassen dit keer).
  • Of week je boilies vooraf in het desbetreffende water zodat ze al verzadigd zijn wanneer ze erin gaan. Daardoor ook minder snel de omgevingsgeur opnemen. Houd dan wel rekening met het feit dat ook ingrediënten kunnen uitspoelen en je boilie zachter wordt en kwetsbaarder is. Dus niet te lang weken.
  • Ten aanzien van je haakaas kan je natuurlijk ook aan de slag met alternatieve presentaties zoals uitgebalanceerde boilies (of wafters), pop-ups of een showman.
  • Realiseer je steeds dat "vuil" ook gezien kan worden als een kwaliteit. Afhankelijk van het soort "vuil" dat we aantreffen natuurlijk. Het is bekent dat in sommige zachte blubbergronden het kan barsten van de muggenlarven of ander natuurlijk voedsel. Zeer vruchtbare grond dus en geen slechte keuze om eens middenin te liggen!

 

Kwaliteit: 

 

Bij kwaliteit gaat het ons inziens ook om de vruchtbaarheid of voedselrijkheid van de bodem. En al zijn er meer factoren die van invloed zijn op de belevingswaarde van kwaliteit onder water (de waterkwaliteit, zuurgraad, de diepte, de helderheid, de aanwezigheid van waterplanten, enzovoort), voor wat betreft de bodem kan je terugvallen op de wetenschap dat grond vrijwel altijd bestaat uit minerale deeltjes, organische stof, water en lucht. Dit in verschillende verhoudingen ten opzichte van elkaar. De minerale deeltjes kunnen ook verschillen tonen: de grofste zijn zandkorrels en de kleinste vinden wij terug als Lutum in klei. Er zijn meerdere verschillende samenstellingen en namen. Zandgronden zijn daarbij doorgaans de wat arme grondsoorten. Klei en leemgronden zijn rijker aan voedingswaarde. Grofweg zouden we hier de volgende soorten willen onderscheiden: (lopend van meer naar minder "voedingsrijk" voor de karper)

 

  • Voedselplekken: Bovenaan zetten we die plekken waar de karper veel voedsel kan vinden. Zoals mosselbanken of sommige zachte "blubbergronden" (of overgangen met de hardere delen) waar zich vaak larfjes en dergelijke ophouden.  
  • Mengsoorten: Interessant omdat je hier meer specifieke plekken kunt bepalen. Bijvoorbeeld grindplaten omdat deze als natuurlijke "presentatie-bladen" functioneren tussen velden met meer rommel op de grond. Of schone plekjes tussen grondbedenkers omdat dit kan duiden op aasplekken van de karper.
  • Kleibodem: Bestaat voornamelijk uit Lutum (gronddeeltjes kleiner dan 2 micrometer). Vanaf 25% Lutum spreekt men van klei. Naarmate er meer Lutum in zit deste zwaarder de klei is. Klei is doorgaans een zeer voedzame grond. Het houdt goed de grondstoffen vast voor plantengroei en dergelijke. 
  • Leembodem: Bestaat voornamelijk uit Silt (gronddeeltjes met een korrelgrootte tussen de 2 en 64 micrometer). Vaak ook een mengsel van zand en kleideeltjes. Ook dit is vruchtbare grond en houdt goed de grondstoffen vast voor plantengroei en dergelijke.
  • Zandbodem: Bestaat uit korrelige mineralen deeltjes die rond en afgesleten kunnen zijn of juist ruwe randjes hebben (scherpzand). Het is doorgaans een minder voedingsrijk bodem.
  • Grindbodem: Is een natuurlijk gerond, grof gesteente. Ontstaan door het afslijten van gesteente in de bergen en heuvels. Voor de presentatie van je rig doorgaans prima plek. In sommige wateren ook zeer aantrekkelijk voor de karper omdat hun natuurlijk voedsel er zich schuilt houdt.
  • Veenbodem: Bestaat voor het overgrote deel uit afgestorven plantenresten, dus organisch materiaal. Op zich geen punt, maar de veenbodem draagt vaak een wat zure grondtoon (PH-waarde minder dan 7). Als dit de overhand heeft betekent dit vaak geen aantrekkelijke bodem om je aas in te presenteren.

 

(Tip 1... Het vaststellen van de grondsoort kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door er een bal van te kneden. Valt hij niet uiteen, dan zit er waarschijnlijk een flinke hoeveelheid klei of leem doorheen. Valt hij wel uit elkaar, dan is mogelijk het percentage zanddeeltjes groter. Je kunt ook aan de grond voelen. Laat het tussen je vingers gaan. Voelt de grond vezelig aan en is deze donker van kleur, dan is het waarschijnlijk een Veengrond of in ieder geval grond met een hoog percentage organische stof. Is de grond korrelig, dan is het eerder zand. Voelt het juist glad, dan is het eerder klei. Over het algemeen geldt: hoe donkerder de grond, deste meer organische stof deze bevat ...)

Verloop:

 

Net als een deel van de voorgaande paragrafen heeft het verloop van de bodem niet direct een sturend effect op de waarden van je recept. Mogelijk wel op de vorm ervan. Want op een stijl talud vissen is andere koek. Snij je boilies gewoon doormidden, dan rollen ze simpelweg minder snel het heuveltje af! Natuurlijk werken gecruchte varianten net zo efficiënt.