Bouwstoffen

Eiwitten: (macro-nutriënt)

Eiwitten (of proteïne) vormen een belangrijke bouwstof voor de groei en reproductie van celweefsel (spieren, organen, botten, zenuwstelsel, enz.). Tevens bijna alle dagelijkse fysiologische functies en het immuunsysteem. Het is goed voor het herstel van weefsel, bijvoorbeeld bij wondjes. Eiwitten verzadigen snel en levert energie (calorieën). Wat er teveel aan eiwitten is wordt door het lichaam omgezet in vetten. Er bestaan zowel plantaardige als dierlijke bronnen voor eiwitten. De karper haalt zijn eiwitten van nature uit dierlijke grondstoffen. Desalniettemin zijn ook plantaardige grondstoffen welkom (bijvoorbeeld: soja-producten). Al behoudt de karper de voorkeur voor lichaamseigen proteïnen. Simpelweg omdat dit beter verteerbaar is en doorgaans een wat beter aminozuren-patroon kent. Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren en de karper is hier erg gevoelig voor, al zijn niet alle aminozuren attractief (zie ook "Kwaliteit"). Doorgaans hebben jonge vissen in verhouding meer proteïne nodig dan de oudere exemplaren.

 

Goede plantaardige bronnen zijn:

  • brood & granen 
  • peulvruchten
  • noten
  • paddestoelen

Goede dierlijke bronnen zijn:

  • vlees
  • vis
  • melk
  • kaas
  • eieren


Koolhydraten: (macro-nutriënt)

 

Koolhydraten zijn leveranciers van energie. Ze zitten vooral in plantaardige grondstoffen. Zo zijn bijvoorbeeld tarwe- en maisproducten echte koolhydratenkanjers. Het zijn tevens dragers van vitaminen, mineralen en vezels. Koolhydraten worden in de markt ook wel "suikers" of "sacharine" genoemd en hebben een zoete smaak, maar dat is toch een weinig genuanceerd. Koolhydraten zijn in te delen in enkelvoudige koolhydraten (suikers) en meervoudige koolhydraten (zetmeel & voedingsvezels) en kennen niet een eenduidig karakter:


  • Enkelvoudige koolhydraten komen van nature voor in fruit (fructose) of melk (lactose) of suikerbieten of suikerriet. Sucrose of sacharose (de scheikundige naam voor suiker) bestaat uit glucose en fructose. Glucose (= druivensuiker) is daarbij een belangrijke energiebron en leverancier van zogeheten "snelle energie". Doordat het vinden van voedsel en het verteren ervan (bijv. afbreken van eiwitten) de karper energie kost, kunnen snelle suikers soms buitengewoon nuttig zijn. Let op: in tegenstelling tot deze suikers leveren zoetstoffen als aspartaam, sacharine of stevia weinig tot geen extra, bruikbare energie.
  • Meervoudige koolhydraten zijn de meer complexere koolhydraten (oligosachariden & polysachariden). Ze komen voor in granen (brood, rijst, deegwaren), aardappelen, peulvruchten en groenten en smaken niet perse zoet zoals de suikers hierboven. Deze meervoudige koolhydraten kunnen worden opgedeeld in wel-verteerbare koolhydraten (zetmelen) en niet-verteerbare koolhydraten (voedingsvezels). De verteerbare suikers (zetmeel) kunnen door het lichaam worden opgenomen en werken als energiebron, de onverteerbare (voedingsvezels) kunnen niet worden opgenomen, leveren dus ook geen energie, maar helpen wel bij de werking van de spijsverteringsorganen.

Zoals al eerder aangegeven komen de koolhydraten voort uit de plantenwereld. Toch bestaat er wel een dierlijke variant op zetmeel (meervoudig, verteerbare koolhydraten) en deze heet "glycogeen" en zijn vergelijkbaar met plantaardig zetmeel. Koolhydraatbronnen leveren vaak ook vitamine B, belangrijke mineralen, ijzer, magnesium, zink, enz. Kortom, een grondstof van wezenlijke waarde voor een goede voeding van onze karper. Toch lezen we ook dat de karper feitelijk zonder koolhydraten zou kunnen overleven. Proteïne met vetten zouden in principe voldoende zijn om op te leven. Dus dat relativeert de waarde van koolhydraten iets, maar of hij zonder die lekkere "suikers" en "zetmelen" er nou gelukkiger van wordt...?! 

 

Goede bronnen voor suikers zijn:

  • fruit
  • melkproducten
  • dextrose (druivensuiker)
  • suikerbieten
  • rietsuiker 

Goede bronnen voor zetmelen en vezels zijn:

  • graanproducten (tarwe, (volkoren) brood, rijst, deegwaren)
  • maisproducten
  • peulvruchten
  • groenten
  • aardappelen
  • fruit


Vetten: (macro-nutriënt) 

 

Vetten zijn bronnen van energie en dragers van vitamine (A, D en E) en essentiële vetzuren. Ze dragen de hoogste energie-waarde als grondstof. Een lekkere vet-olie is daarom een echte energie-boost. Met als gevolg dus dat vette mixen ook snel(ler)verzadigen. Houdt daar rekening mee als je bijvoorbeeld in de winter vist of juist in de herfst ervoor. Vetten die niet direct worden omgezet in energie worden opgeslagen als lichaamsvet. Als reserve voor de toekomst. Denk hier ook eens aan zo voor of na de paai als de vis wel wat hulp (energie) kan gebruiken. Lichaamscellen hebben vetzuren nodig als bouwstenen en als bescherming tegen ongewenste indringers. 


Er bestaan vele soorten vetzuren, ondergebracht in zogenaamde verzadigde vetzuren en onverzadigde vetzuren. Beide zitten altijd in de vetten die grondstoffen leveren. Steeds in andere verhoudingen. Vanuit gezondheidsoverwegingen heeft het de voorkeur om meer onverzadigde vetten toe te passen dan verzadigde. Zachte of vloeibare (plantaardige) oliën of margarine uit een kuipje bevatten doorgaans meer onverzadigd vet. Ook vis en noten dragen veel onverzadigde vetten. Onverzadigde vetzuren onderscheiden zich van verzadigd vetzuur doordat het zowel enkelvoudige als meervoudige bindingen kent. Meervoudig onverzadigde vetzuren zijn daarbij weer in te delen in "omega 3-vetzuren" en "omega 6-vetzuren". Beide leveren meerwaarde voor een gezonde voeding (hart en vaatstelsel). Meervoudige onverzadigde vetten genieten bij "goede oliën" dus vaak de voorkeur. Soms in combinatie met lijnzaadolie of een mix van visoliën. De vis vindt dit doorgaans erg lekker en het versterkt de eetlust. Een ander voordeel is dat deze oliën ook bij koud water langer vloeibaar blijven.

 

Goede bronnen voor (enkelvoudig) onverzadigde vetten zijn: (kunnen gaan klonteren bij koeling)

  • koolzaadolie (canola-olie)
  • pindaolie (arachideolie)
  • olijfolie
  • avocado's
  • noten (amandelen, hazelnoten, pecannoten)
  • zaden (pompoenpitten, sesamzaad, CeDe-mixen)

Goede bronnen voor (meervoudig) onverzadigde vetten zijn: (blijven vloeibaar bij koeling)

  • zonnebloemolie
  • mais
  • sojabonen
  • lijnzaadolie
  • walnoten
  • hennepzaadolie
  • visolien
  • omega3 - visolie

 

Soms komen we de opmerking tegen dat de karper meer een voorkeur heeft voor dierlijke vetten (oliën) dan plantaardige. Dit zou kunnen komen omdat visolien, in tegenstelling tot zonnebloemolie, tarwekiem- en olijfolie, sneller opgenomen wordt door het lichaam, omdat het een lichaamseigen grondstof betreft. Daarbij zouden oliën/vetten reageren op water (Ionisatie) doordat er een verschil aan zuurgraad bestaat tussen de stoffen. Dit fenomeen zou volgens sommigen effect hebben op het gedrag van karpers, waardoor ondanks het feit dat karpers olie in water niet kunnen detecteren, ze er toch bewust van zijn. Of dit zo is willen we nader onderzoeken. Hetzelfde betreft voor het effect op de vis van moleculaire diffundatie (het oplossen tot kleine deeltje in water).


Vitaminen: (micro-nutriënt) 


Vitaminen leveren geen energie, maar zijn wel van essentieel belang voor een goede gezondheid, normale groei en ontwikkeling. Zij regelen/activeren onder andere het metabolisme, doordat zij componenten vormen van de hiervoor verantwoordelijke enzymen. Maar er is veel meer. Er bestaan in totaal 13 stoffen die de naam vitamine dragen: A,C,D,E, K en 8 soorten B. De vitaminen A, D, E en K zijn oplosbaar in vet. De vitaminen C en B (alle varianten) zijn oplosbaar in water. De primaire functies van vitamines zijn:

 

  • Vitamine A: (Retinol) Zorgt voor de huid en ogen. Tevens voor een goede groei en werking van het afweer- en immuunsysteem.
  • Vitamine B1: (Thiamine) Is onmisbaar voor de energievoorziening van het lichaam, de werking van de hartspier en het zenuwstelsel.
  • Vitamine B2: (Riboflavine) Is nodig voor de energievoorziening van het lichaam.
  • Vitamine B3: (Niacine) Is belangrijk voor de energievoorziening en speelt een rol bij de aanmaak van vetzuren.
  • Vitamine B5: (Panthonteenzuur) Is nodig voor de energievoorziening, de opbouw en afbraak van eiwitten en vetten. 
  • Vitamine B6: (Adermine) Is belangrijk voor de stofwisseling, afbraak en opbouw van aminozuren waaruit eiwitten zijn opgebouwd. Het reguleert de werking van bepaalde hormonen en is nodig voor de groei, bloedaanmaak, het immuunsysteem en het zenuwstelsel.
  • Vitamine B8: (Biotine) Is nodig om energie uit het eten vrij te maken en speelt een rol bij de vorming van vetzuren. Biotine houdt de huid gezond.
  • Vitamine B11: (Foliumzuur) Is nodig voor de groei en goede werking van het lichaam, voor aanmaak van bloedcellen (witte & rode) en de ontwikkeling van de jonge vis.
  • Vitamine B12: (Cobalamine) Is nodig voor de aanmaak van rode bloedcellen en goede werking van het zenuwstelsel.
  • Vitamine C: (Ascorbinezuur) Heeft een functie als antioxidant en is nodig voor de vorming van bindweefsel, de opname van ijzer en het in stand houden van het weefsel.
  • Vitamine D: (Cholecalciferol (D3) en Ergocalciferol (D2)) Is nodig om calcium uit de voeding in het lichaam op te nemen. Belangrijk dus voor de groei en behoudt van een stevige botten en tanden.
  • Vitamine E: (Alfa-tocoferol) Is belangrijk als antioxidant. Het beschermt de cellen, celwanden, bloedbanen en het weefsel. Tevens speelt vitamine E een belangrijke rol bij de regulatie van de stofwisseling in de cel. 
  • Vitamine K: (Fylochinon) Is nodig voor een goede bloedstolling en aanmaak van botstructuur.


Mineralen: (micro-nutriënt) 

 

Mineralen zijn net als vitaminen stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken. Ze zijn onmisbaar voor een goede gezondheid en een normale groei, ontwikkeling en herstel na ziekte. Ze leveren geen energie. Mineralen ondervinden, in tegenstelling tot de vitaminen, geen hinder van verhitting. We hebben het dan over verandering of afbraak van de grondstof. Dus je zult deze niet gauw "kapot koken". Wel kan er verlies optreden door uitloging: het oplossen van mineralen in het (kook)vocht. Dit is dan ook een van de redenen waarom onze producent de boilies stoomt. Vitaminen hebben mineralen nodig om te functioneren. Vissen krijgen dit al uit het milieu, maar het zit dus ook in het voedsel. De primaire functies van mineralen zijn:

 

  • Calcium: Is nodig voor de opbouw en het onderhoud van botten en gebit. Ook is het nodig voor een goede werking van zenuwen en spieren, de bloedstolling en het transport van andere mineralen in het lichaam.
  • Chloor: Chloor of Chloride is een onderdeel van zout (= natriumchloride). Het zorgt samen met natrium en kalium voor de vochthuishouding in het lichaam.
  • Fosfor: Samen met calcium geeft fosfor stevigheid aan botten en tanden. Ook beïnvloedt fosfor de energiestofwisseling in het lichaam.
  • Kalium: Samen met chloor en natrium is kalium van invloed op de vochtbalans in het lichaam. Daarnaast zorgt kalium er samen met natrium voor dat zenuwprikkels goed geleid worden en spieren zich samentrekken. 
  • Natrium: Gelijk kalium is dus ook natrium van invloed op de vochtbalans, geleiding van zenuwprikkels en spierfuncties.
  • Magnesium: Is nodig voor botopbouw, opbouw van lichaamseiwit, overdracht van prikkels in spieren en zenuwbanen en het goed functioneren (strekken en samentrekken) van spieren. Het is nodig voor een goede werking van een groot aantal enzymen in de lichaamscellen en speelt een belangrijke rol in het metabolisme oftewel enzymreacties.


Sporenelementen: (micro-nutriënt)


Voor alle duidelijkheid: sporenelementen zijn mineralen! Mineralen waar het lichaam doorgaans maar weinig van nodig heeft om goed te kunnen functioneren. Ook zij leveren dus geen energie en hebben dezelfde eigenschappen in relatie tot verhitting en het oplossen in (kook)vocht. De primaire functies van sporenelementen zijn:

 

  • Chroom: Chroom of Chromium speelt mogelijk een rol bij de verwerking van suikers (suiker- en koolhydraatstofwisseling) in het lichaam. Over de precieze werking van chroom is nog weinig bekend. 
  • Fluoride: Versterkt en onderhoudt tanden en botten.
  • IJzer: Is belangrijk voor de vorming van hemoglobine, nodig voor het zuurstoftransport in het bloed en in de stofwisseling. 
  • Jodium: Is belangrijk voor de productie van schildklierhormonen en derhalve een goede groei, ontwikkeling van het zenuwstelsel en de stofwisseling.
  • Koper: Is betrokken bij de vorming van bindweefsel en botten. Tevens ondersteund het pigmentvorming en goede werking van het afweersysteem.
  • Mangaan: Is onderdeel van een aantal enzymen in het lichaam die betrokken zijn bij de stofwisseling. 
  • Molybdeen: Is van nut bij de stofwisseling. Over de precieze werking van Molybdeen is nog weinig bekend.
  • Seleen: Het functioneert als antioxidant en beschermt rode bloedlichaampjes en cellen tegen beschadiging. Tevens maakt het zware metalen die door verontreiniging in het voedsel zijn gekomen minder giftig. Ook helpt het de werking van sommige organen.
  • Zink: Is onderdeel van een groot aantal enzymen in het lichaam die betrokken zijn bij de stofwisseling. Het is onder andere nodig bij de opbouw van eiwitten, de groei en ontwikkeling van weefsel en een goede werking van het afweer- en immuunsysteem.  


Vezels: 


Voedingsvezels (vezels) zijn belangrijke stoffen voor een goede spijsvertering. Ze zijn er in verschillende soorten en maten. Zoals we bij "Koolhydraten" konden lezen zijn het meervoudige, niet verteerbare koolhydraten. Ze dragen bij aan een verzadigd gevoel na het eten. Volkoren producten, groenten, fruit, peulvruchten, noten bevatten veel vezels. Het zijn feitelijk een groep van koolhydraten die niet door de darmen verteerd worden. Verschillende vezels hebben daarbij een verschillende werking op ons lichaam. Daarbij bestaat ons voedsel nooit uit slechts een soort vezel. Het is een mengsel van vele verschillende. Voedingsvezels zijn afkomstig uit de celwand van planten. In dierlijke producten zitten geen vezels. 

 

Goede bronnen van voedingsvezels zijn:

  • graanproducten (tarwe, (volkoren) brood, rijst, deegwaren)
  • maisproducten
  • groenten
  • peulvruchten
  • fruit


Bio-actieve stoffen: 


Alle stoffen die een bepaalde biologische of fysiologische activiteit hebben mogen we bioactieve stoffen noemen. Het gaat meestal om stoffen in de voedingsmiddelen of supplementen die gezondheidsbevorderend zijn, maar waarvoor geen primaire behoefte is aangetoond. Ze kunnen van nature voorkomen, maar ook kunstmatig zijn ontwikkelt. Zie het als een soort extraatje. Er bestaat een behoorlijke lijst van bioactieve stoffen en hun vermeende werking ervan, maar deze laten we vooralsnog in ons kenniscentrum buiten beschouwing. Er zal nader onderzoek moeten plaatsvinden om te kijken wat deze "bouwstoffen" voor ons aas kunnen betekenen.